Tim de Boer / Bakema Fellow 2006-2007
Paradoxale bescherming
Mogelijke doelen.
Aangezien conflicten steeds vaker in de stad zullen plaatsvinden zullen aan veiligheid
gerelateerde programma's en objecten een grotere rol gaan spelen in de stedelijke
omgeving. Maar waar zal die dan een plek moeten krijgen? Welke stedelijke programma's
en objecten worden in de stad bedreigd?
Er is niet met zekerheid te voorspellen waar een aanslag zal worden gepleegd. Er zijn
echter wel een aantal plekken aan te wijzen waar er een verhoogde kans aanwezig is dat er
iets kan gebeuren. Zo zijn symbolische gebouwen als ambassades en regeringsgebouwen
voor de hand liggende mogelijke doelen. Deze gebouwen zijn van zichzelf al redelijk
beveiligd. Je kan er immers niet zomaar binnenlopen. Bij deze objecten concentreert het
probleem zich dan ook op de omgeving van het bedreigde object. Een tijdelijke extra
beveiliging zal altijd ten koste gaan van de openbare ruimte.
Er is nog een categorie mogelijke doelen, namelijk de locaties of objecten waar veel mensen
samenkomen, zoals stations, festivals, winkels, en de openbare ruimte zelf. Deze
programma's worden gekenmerkt door het feit dat je er juist wel zo naar binnen kan lopen.
Beveiliging van deze objecten is een moeilijke opgave, terwijl juist deze doelen de laatste
jaren veel getroffen worden (zoals in Madrid en Londen).
Dubbele Paradox.
Bij de beveiliging van de bedreigde programma's en objecten doemen twee paradoxen op.
Ten eerste is een beveiligd doel geen zwakke plek meer. En dus zorgt de toevoeging van
beveiliging ervoor dat de kans dat die beveiliging ook echt getest gaat worden drastisch
afneemt. Het gevolg is een vicieuze cirkel die steeds meer beveiliging oplevert. Als we de
huidige maatregelen blijven toepassen zal de stad dan ook langzaam dichtslibben met
beveiliging.
Daarnaast zijn aanslagen steeds vaker gericht op programma's die beveiliging maar in
bepaalde mate kunnen verdragen. Teveel of verkeerde beveiliging zorgt ervoor dat het
programma dat beveiligd moet worden niet meer mogelijk is. Het effect van de antiterreurmaatregelen
is dus hetzelfde als wanneer er een aanslag zou plaatsvinden. De
dreiging met een aanslag is dus al effectief genoeg om schade toe te brengen.
De eerste paradox geeft het belang van het voorgestelde onderzoek aan. We komen er niet
onderuit om over de integratie van beveiliging in de stad na te denken. De stad is nu al aan
veranderingen op dit gebied onderhevig. Cameratoezicht neemt steeds grotere vormen
aan, steeds meer stad wordt particulier gebied en dus afgesloten en bewaakt. Maar zijn er
geen inventievere manieren om beveiliging toe te voegen aan bestaande typologieën?
Waarbij het programma beveiliging minder ruimte inneemt en een natuurlijk onderdeel is
van de stad ?
De tweede paradox geeft de richting aan van het voorgestelde onderzoek. Bij nadere
beschouwing blijkt dat het hier gaat om hoe je beveiliging kan toevoegen aan bestaande,
vooral stedelijke, programma's. De huidige maatregelen blinken vooral uit in botheid die
niet bevorderlijk is voor de meeste stedelijke programma's. Het toevoegen van een
tegenstrijdig programma (in dit geval veiligheid) zou juist iets weg moeten hebben van
vaccineren, het inspuiten van verzwakte virussen om resistentie op te wekken. Door een
eenvoudige ingreep wordt hiermee het imuunsysteem geprepareerd voor het geval het
echte virus opduikt.