Tim de Boer / Bakema Fellow 2006-2007
De links tussen oorlogsvoering en de verdediging van de stad.
De stad is lange tijd een toevluchtsoord geweest. Bij geweld of conflicten trokken de
bewoners zich binnen de stad terug. Vandaar uit konden zij zich verdedigen. De reactie op
nieuwe wapens met een groter bereik was een eenvoudige: de fysieke verdedigingslinie
werd een stuk naar buiten toe verlegd zodat de stad wederom niet meer te bereiken was
met deze (nieuwe) wapens. Aan het begin van de 20ste eeuw was de bereik van de
wapensystemen echter zo groot dat de stad ook op die manier niet meer beschermd kon
worden. De fysieke verdedigingslinie verschoof naar de landsgrenzen om de tegenstander
aldaar te stoppen in haar opmars. Er werden echter steeds weer nieuwe wapensystemen
ontwikkeld met een groter bereik. Uiteindelijk kon daarmee de hele wereld bestreken
worden. Op dat moment veranderde de positie van de stad. Sinds de tweede wereldoorlog
is de stad de inzet in wereldwijde conflicten, de stad wordt daarbij gegijzeld door de
tegenstander. Immers, met één bom ( in het geval van een nucleaire macht) kan de stad
vernietigd worden. Fysieke verdediging in de vorm van objecten in of rond de stad had
dan ook nauwelijks zin meer. In de stad restte alleen nog de mogelijkheid om met
schuilkelders de burgers een kans op overleving te bieden. Deze situatie heeft tot het einde
van de koude oorlog geduurd.
Opkomst van nieuwe strategieën.
De periode waarin de defensie steeds verder van de stad af kwam te liggen is nu
geëindigd. Een aantal ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat aan veiligheid
gerelateerde programma's en objecten weer een plaats in de stad moeten krijgen. In
militaire termen hebben we het hier over een overgang van derde generatie oorlogsvoering
naar de vierde generatie.2
Dit betekent dat conflicten steeds vaker spelen tussen groeperingen binnen staten in plaats
van tussen verschillende staten onderling. Deze groeperingen zoeken juist de stad op om
zich binnen een grotere groep te kunnen verstoppen. Het is dus vaak onduidelijk wie de
tegenstander is en waar die zal toeslaan, doordat zij zich voor en na een actie zal voordoen
als gewone burger. Dit maakt opsporing heel lastig. Het betekent ook dat er geen sprake
meer is van een bepaald frontgebied waar het conflict zich afspeelt. De tegenstander zal op
die plek toeslaan waar zij denkt dat zij het meeste schade kan veroorzaken, zowel fysiek
als psychologisch. Gezien het feit dat inmiddels meer dan de helft van de wereldbevolking
in stedelijke gebieden woont3 , bevinden zich daar dan ook zeer veel inerssante doelen.
Binnen het huidige terrorisme zijn veel van de kenmerken van 4de gen. oorlogsvoering al
aanwezig. Ook de terrorist streeft naar een zo'n groot mogelijk effect met zo min mogelijk
middelen. Met andere woorden: Hij zoekt dus naar de zwakste plek om die vervolgens aan
te vallen. Waar vroeger de terrorist zijn acties nog gebruikte om direct zijn doelstellingen te
verwezenlijken, zoals het vrijlaten van gevangenen, kiest hij er tegenwoordig voor om
vooral angst te willen verspreiden. Dit doet hij o.a. door zoveel mogelijk slachtoffers te
maken. De vaak gebruikte methode van de martelaar of zelfmoordenaar maakt de
beveiliging niet eenvoudiger. Dit type aanslag, waarbij er achteraf geen dader meer te
bestraffen is, zet de staat onder druk om ten koste van alles maatregelen te nemen die
deze aanslagen moeten voorkomen. Er wordt daarbij een beeld geschapen van de terrorist
als onmenselijk monster, waardoor deze vergaande maatregelen nog makkelijker
geaccepteerd worden. Ook in de architectuur en stedenbouw spelen deze maatregelen een
steeds grotere rol.